Een leuke test. Vooral omdat deze leunt op inzichten uit de topsport. Ik ben ook nog wel op zoek naar meer kritische feedback, dus: laten we het maar gewoon proberen.
De afgelopen weken ben ik veel blijven puzzelen over meedoen in de democratie. Woensdag werd ik dan ook enorm geprikkeld op de Top van Onderop: ik had voor een keer weer mijn sportersbril op, en daardoor denk ik dat er voor het eerst echt landde wat er bedoeld wordt met het begrip ‘tegenmacht’, zoals Herman Tjeenk Willink deze ‘maatschappelijke democratie’ noemt, tegenover de institutionele democratie.
Want wat viel op zijn plek: dezelfde vier voorwaarden die ik noemde in mijn praatje en die ik in de topsport wél kreeg, zijn ook voorwaarden voor de tegenmacht, die we maatschappelijk nauwelijks organiseren:
- de ruimte om initiatief te nemen
- het uitgedaagd worden om iets te doen dat je nog niet kende
- een sociaal-maatschappelijk vangnet
- ritme: oefentijd, herhaling, begrip
In de sport waren die voorwaarden vanzelfsprekend. Ik mocht oefenen zonder dat falen mislukken betekende. Ik kreeg ritme, vertrouwen, ruimte. Daardoor kon ik verantwoordelijkheid dragen. Niet omdat ik beter was, maar omdat ik ruimte had om te oefenen.
En juist dat contrasteert zo scherp met hoe we mensen in onze samenleving opleiden: we trainen hen om te passen in systemen die ze zelf nauwelijks begrijpen, in plaats van hen te vormen tot kritische denkers die initiatief durven nemen. We leren elkaar hoe te functioneren binnen bestaande structuren: niet hoe we volwaardig kunnen deelnemen aan het vormgeven ervan. En dan verwachten we als samenleving wel verantwoordelijkheid, betrokkenheid en tegenkracht.
De afgelopen tijd luisterde ik veel naar podcasts, zo ook over de opzet van het Nationaal Burgerberaad Klimaat. Het burgerberaad laat niet alleen zien wat mensen kunnen beslissen wanneer ze zorgvuldig geïnformeerd worden, maar vooral hoeveel mensen kunnen zodra je ze deze ruimte geeft. Niet omdat ze ineens “betrokken burgers” worden, maar omdat we hen de ruimte bieden om volwaardig onderdeel te zijn, met oefentijd, met context, met onderlinge uitdaging en met een vangnet. Precies die vier voorwaarden dus, die we in de samenleving niet structureel organiseren.
Laat het burgerberaad in het klein zien wat we in het groot laten liggen?
De maatschappelijke tegenmacht kent een reactieve en een proactieve pijler. De reactieve kennen we: inspraak, participatie, consultatie. En die is, mits goed vormgegeven, heel waardevol. Met name voor thema’s die te groot of te technisch zijn om centraal of individueel op te lossen. Reactieve democratie is geen afschuiven van verantwoordelijkheid, maar het scheppen van collectieve denkruimte.
De uitdaging is dat we die andere pijler onderschatten: de proactieve tegenmacht: alles wat mensen zelf doen om hun leefwereld te verbeteren. Buurtinitiatieven, zorgcollectieven, energiecoöperaties, sportverenigingen. We behandelen ze als lief werk, als luxe, als iets voor gemotiveerde en financieel stabiele mensen. Terwijl dit precies de plekken zijn waar maatschappelijke veerkracht ontstaat: in gedrag, relaties, keuzes, gemeenschap. Het zijn geen alternatieven voor de democratie. Ze zijn de democratie.
We laten mensen experimenteren in de sport, maar niet in de samenleving. Oefenruimte krijgen is geluk hebben. Heb je dat niet, dan kan je pas meedoen wanneer het systeem een vraag formuleert. Zeker niet wanneer je zelf voelt: ik zou eigenlijk iets willen doen, maar ik weet niet waar ik moet beginnen.
En daarom ben ik zo enthousiast over de potentie van de ambtenaar. Want hier komt de ambtenaar in beeld. Niet met de bril van bureaucratie, stoffigheid, polderen, maar als ontwerper, als spelverdeler, als actief democratische spil.
We maken meedoen nu pas mogelijk wanneer het systeem het vraagt. Niet wanneer een mens voelt: “Ik zou eigenlijk iets willen doen, maar ik weet niet waar ik moet beginnen.”
Hoewel ik burgerberaden prachtig vind, hangt de toekomst van onze democratie niet af van nieuwe instrumenten. Ze hangt af van veilige speelruimte voor iedereen. Ruimtes waar onzekerheid mag bestaan. Waar experimenteren geen risico is. Waar initiatief geen last is maar een kans. Waar falen niet meteen betekent dat je buiten spel staat.
We moeten geen lapjes voor het bloeden ontwerpen. Het is tijd om te erkennen dat we massa nodig hebben voor de democratische rechtsstaat. En dat we daarvoor echt achter ons bureau vandaan moeten komen.
Samenleven is niet iets wat we alleen aan de politiek moeten of kunnen overlaten. Meedoen is je verantwoordelijkheid.
Grote veranderingen komen zelden voort uit één strak plan, maar uit vele lokale initiatieven die met elkaar verweven raken. Hans Vermaak beschrijft dat als de ‘lappendeken’ van de samenleving: geen systeem van controle, maar een netwerk van intentie en het nastreven van doelen en dromen.
Julia van Boven illustreerde dat prachtig in haar recente podcast, door te delen dat 96% van de mensen die in het verzet terechtkwamen, was gevraagd door iemand die ze kenden. Het verschil begint vaak niet bij grote idealen, maar bij kleine kringetjes van mensen die elkaar meenemen. Niks groots, gewoon een klein gesprek of initiatief.
We hoeven het namelijk niet overal over eens te zijn. We moeten gewoon gaan experimenteren, en vertrouwen dat dat een stap in de goede richting is. Suzanne Potjer noemt dit een nieuw soort ‘polderen’: één die ruimte laat voor verschil, emotie en vooral: actie. Want daar ligt de stap die we allemaal kunnen nemen.
Het niet overlaten van de samenleving aan normen, regels en papierwerk vraagt om menselijkheid, om nieuw leiderschap.
In hoeverre past het systeem waarbinnen jij werkt bij de daadkracht die je nastreeft? Hoeveel ruimte laat het om mens te blijven? Hoeveel vertrouwen geeft het anderen? Hoeveel gesprek maakt het mogelijk?
“Wie kies je om te zijn?” – Roek Lips
Vorige week mocht ik luisteren naar Marco te Brömmelstroet: hij waarschuwt dat hoe meer regels we maken, hoe minder we leren te luisteren. Geen pleidooi tegen structuur, maar voor relationele intelligentie. We hebben niet méér regels nodig, maar meer vertrouwen in de mensen die het dagelijks doen. En daarvoor hebben we niet meer taal nodig, maar betere gesprekken.
Het vraagt moed om iets te doen in lijn met je waarden, zonder te weten of het lukt of wie er meedoet. En het vraagt veerkracht om te blijven bewegen, ook als iets mislukt. Dat is misschien juist waarom meedoen geen optie, maar een verantwoordelijkheid zou moeten zijn.
De vitaliteit van een samenleving zit niet in papier, maar in ontmoetingen. Tussen denken en doen ligt dat netwerk van ontmoeting.