terug
← Terug naar overzicht

Buiten de boot vallen

Over de kwetsbare randen van gemeenschap en het recht op een veilige tussentijd

Precies op de val van het jaar stipten we met de KNRB een topic aan dat mij sterk aan het hart gaat; misschien wel dat wat mij heeft gemotiveerd om iets terug te doen voor andere atleten. Wat gebeurt er nadat je wordt uitgeselecteerd? Als je droom ophoudt te bestaan, je dagelijkse ritme, je toekomstperspectief?

Dit gesprek voerden we in dezelfde week als alle anticipatie voor Kerst. Dagen vol plezier, warmte, liefde van je naasten. En toch ook voor veel mensen dagen aftellen, totdat je je niet meer alleen voelt.

Wat deze momenten gemeen hebben, is niet het falen van gemeenschap, maar haar kwetsbare randen. Groepen zijn sterk in verbinden, maar zwak na loslaten. Ze creëren betekenis, maar zelden een veilige uitweg. Als we deze kwetsbaarheid erkennen, is logische vervolgvraag dan ook: wat gebeurt er ertussenin? Wat kunnen gemeenschappen niét dragen? En wie kan dat wel?

Liminaliteit: de tussentijd

Hier raken we aan een laag die in democratie-gesprekken vaak onderbelicht blijft: de tussentijd: liminaliteit. De fase waarin oude rollen wegvallen en nieuwe nog niet bestaan. Niet meer wie je was, nog niet wie je wordt.

Gemeenschappen bouwen loyaliteit, ritme en betekenis. Maar juist hierdoor trekken ze ook grenzen. Niet om actief mensen uit te sluiten, maar omdat elke gemeenschap vorm krijgt door herhaling, herkenning en wederkerigheid. De term ‘generalised reciprocity’ (zie vorige post) past mooi: mensen kunnen niet iedereen kennen. Structuren van vertrouwen moeten dat borgen. En hier doet schaal ertoe: boven de kleine netwerken hangt een netwerk van een grotere schaal. Een schaal waar vertrouwen minder direct en daarmee kwetsbaarder is. Een logische vervolgvraag is dus ook: hoe positioneer je de rol van die overkoepelende collectieven? Wie vertrouwen we, voor veilige tussentijd?

Gemeenschap in lagen

Die vraag is niet nieuw. Enkele weken geleden sprak Joris Backer over Tocqueville, die al zag hoe verenigingen de democratie dragen, maar ook hoe schaal ertoe doet. Gemeenschap bestaat uit lagen: directe kringen, verenigingen, gemeenten, landen.

Hier raakt dit verhaal aan een bredere politieke spanning. Gemeenschapsdenken is fundamenteel voor ons mens-zijn. Politiek filosoof Patrick Loobuyck benadrukt dat terecht. We zien nu gebeuren dat een systeem dat gemeenschap onvoldoende erkent, ruimte laat voor radicale antwoorden.

Zowel Patrick Deneen (post-liberaal, conservatief) als Eva von Redecker (anti-kapitalistisch, progressief) vertrekken vanuit een vergelijkbaar gevoel van gemis aan gemeenschap, maar komen tot tegengestelde diagnoses. De één wijst de liberale staat aan, de ander het kapitalistische systeem.

Recht op tussentijd

Mijn voorstel is geen keuze voor een van deze uitersten, maar een herordening van verantwoordelijkheden en samenwerking tussen overheid en burger. Ik denk dat dit samenkomt in twee elkaar aanvullende pijlers:

Het recht op tussentijd is nog minder expliciet, maar minstens zo essentieel. Geïnspireerd door het Right to Roam: het recht om te dwalen, te bewegen, zonder vooraf vastgelegde bestemming. Niet verdwalen, maar veilig kunnen zoeken. Niet alleen in de fysieke ruimte, maar juist ook in acties, in tijd.

Een vitale democratie vraagt om ruimte om te beginnen, én om actieve ogen voor losvliegers. Voor mensen die stoppen, of tijdelijk geen netwerk hebben. Voor wie zich in de tussentijd bevindt.

Initiatief zonder vangnet sluit uit. Gemeenschap zonder uitweg verhardt.

De vraag is dus niet alleen hoe we initiatief mogelijk maken, maar welke verantwoordelijkheid de staat draagt om maatschappelijk vertrouwen te koesteren wanneer gemeenschap haar grens bereikt.

Dat vraagt geen afbraak van instituties, maar zeker wel aanpassing. Geen terugtrekking van de overheid, maar herinterpretatie van haar rol.

Gedachten delen?

Reacties komen hier later. Voor nu: stuur me gerust een bericht.

Neem contact op